Graag uw opmerkingen en andere interessante informatie. Bezoek ons Forum.
In de periode na de eerste wereldoorlog werd Zwijndrecht opgeschrikt door enkele brutale overvallen. Dat die plaatsvonden in de Borgerweertpolder tussen het Vlaams Hoofd en Zwijndrecht-dorp hoeft niet te verbazen. Het gebied was onbebouwd en er liep slechts één grote weg – de Rijselse Baan - tussen beide leefgemeenschappen. ’s Nachts was het er pikkedonker en haast geen mens waagde er zich zonder reden doorheen.
De meest tot de verbeelding sprekende overval in dit gebied vond plaats in de herfst van 1919. In de vooravond waren drie mannen samengekomen in het Antwerpse Schipperskwartier; Hendrickx, Nauwelaerts en Van den Wyngaert hadden een wapen (type Browning) opgehaald in een herberg en besloten op rooftocht te gaan in de Borgerweert, waar ze rond 21 uur aankwamen, dicht bij een bruggetje. Het dichtstbijzijnde huis bevond zich 300 meter verder. Ze achtten het raadzamer zich iets verder in een hinderlaag te leggen. Hendrickx ging op verkenning uit.
Op dat ogenblik kwam dhr. Carpentier uit de richting van het Vlaams Hoofd aangefietst en werd staande gehouden door de twee ter plaatse gebleven kompanen. Gealarmeerd door het geroep van Carpentier kwam Hendrickx terug. In het nauw gedreven door de drie bendeleden werd Carpentier van de fiets gesleurd, geslagen en geblinddoekt. De buit van de overvallers was een zilveren zakuurwerk, een gouden trouwring en enkele franken. Men dwong het slachtoffer op de grond te gaan liggen in het gras naast een kleine steenweg die naar de spoorweg liep.
Het bruggetje in de Borgerweertpolder
Op dat ogenblik kwam Robert De Brabander, een telegrafist, uit de richting van Zwijndrecht aangereden. Ter hoogte van het bruggetje werd hij eveneens van zijn fiets getrokken en op de grond gegooid. Hij werd geblinddoekt, geslagen, gestampt en met de revolver bedreigd. Hij had 170 frank op zak, een damesuurwerk en een ring met robijn. Nauwelaerts trok hem zijn jas en gilet uit, en een andere overvaller ontdeed hem van zijn kousen en schoenen. Hij werd gedwongen om naast het eerste slachtoffer te gaan liggen.
Toe kwam een derde fietser uit de richting van Zwijndrecht aangereden. Alfons De Coninck werd door Van den Wyngaert van de fiets getrokken, maar hij verweerde zich fel. Ondanks de overmacht kon hij zich losrukken en vluchten in de richting van het geluid van een auto dat hij in de verte had gehoord. Zijn aanranders haalden hem in, sloegen hem opnieuw tegen de grond en stampten hem in de gracht. Hij hoorde één van hen zeggen ‘We zullen hem verzuipen!’. Toch raakte hij nog uit de gracht en klauterde in een weide. Hierop werd naar hem geroepen ‘Niet gaan lopen of ik schiet u omver en zwijgen!’ Er vielen twee schoten. Op dat ogenblik passeerde de auto. De drie overvallers dwongen de bestuurder verder te rijden, sprongen op de gestolen fietsen en verdwenen in de richting van Zwijndrecht. Ze beseften dat het te gevaarlijk was om diezelfde avond nog via het Vlaams Hoofd en het veer naar Antwerpen terug te keren. Ze reden verder in de richting van Sint-Niklaas en sliepen er in een hooimijt.
Op 30 september keerden ze naar Antwerpen terug via Lokeren, Dendermonde, Willebroek en Boom. In Antwerpen trokken ze naar de herberg Baetes om de fietsen te verkopen. De fietsen werden in de herberg verkocht aan een zekere Van den Reeck. Twee van de drie rijwielen waren praktisch nieuw en het lot fietsen werd aangeboden aan 600 frank. Omdat het gestolen waar was, werd de prijs verlaagd tot 400 frank.
Toen de daders later konden ingerekend worden bleek dat ze nog meer op hun kerfstok hadden.
In de nacht van 7 op 8 december 1918 reed wisselagent Van Puymbroeck met de fiets naar huis. Hij had nog laat gewerkt in zijn bijhuis aan de Antwerpse Oude Korenmarkt, Hij was de Schelde overgestoken met het veer en was begonnen aan de eenzame weg doorheen de Borgerweert. Onderweg werd hij, ongeveer op dezelfde plek als de slachtoffers later in 1919, opgewacht door twee mannen – Lenders en Campenaerts. De eerste velde hem met een bijlslag en hij kon geen weerstand bieden. De buit bedroeg 8.400 Belgische frank aan effecten.
De verslaggeving van de feiten vonden we in een artikel uit het weekblad ‘Ons Land’ van 21 januari 1925. Dit bevindt zich thans in ons archief.
Bij verdere opzoekingen kwam aan het licht dat de 3 bendeleden van Nauwelaerts zoals ze tot ons komen uit de summiere artikels die in ons archief zitten, blijkt dat deze bendeleden tot een veel grotere groep behoorden die in de ruime provincie Antwerpen actief waren.
In aanvang bestond de bende uit een groep deserteurs die niet wilde vechten voor het vaderland – we zitten dan nog in de eerste wereldoorlog. Ze profiteerden van de oorlogsomstandigheden om boerderijen leeg te plunderen, waarbij ze hun slachtoffers folderen en in bepaalde gevallen ook doodden. Na kruimeldiefstallen wenkte het grotere werk. Geweld was steeds het middel om hun doel te bereiken. Hun actieterrein situeerde zich in aanvang in de Antwerpse Kempen, de omgeving van Mechelen, maar soms trokken ze ook over de Schelde naar het Waasland of weken ze uit naar het Leuvense. Als de grond te heet onder hun voeten werd verdwenen ze een poos naar Frankrijk om daar van hun buit te genieten.
Vanaf juni tot september 1919 pleegden Lenders en Campenaerts samen met enkele andere bendeleden bijna veertig diefstallen in Antwerpen, Wilrijk, Hove, Edegem, Borsbeek, Deurne, Mortsel, Beveren, Hoboken, Borgerhout, Wijnegem, …
Alhoewel Martinus Nauwelaerts zich pas 3 jaar na het eerste misdrijf bij de bende aansloot (1920) kreeg de bende toch zijn naam omdat de zwaarste misdrijven plaatsvonden in zijn aanwezigheid. De bende opereerde lang niet altijd in een grote groep. De misdaadorganisatie bestond in feite uit 3 groepen: de bende van Kontich, onder leiding van Jules Bens alias 'de Pinkoog', de bende van Lenders en deze van Nauwelaerts.
Martin Louis Nauwelaerts ontmoette een van de bendelden, Van den Wijngaert, in de gevangenis. Na zijn vrijlating specialiseerde hij zich in het overvallen van fietsers die ’s avonds zijn pad kruisten. Nauwelaerts en zijn kornuiten spanden meestal een koord over de weg om zo hun slachtoffers ten val te brengen. Geen fietser waande zich nog veilig. Als Nauwelaerts’ ware aard boven kwam, was het slachtoffer er meestal slecht van af.
De krantenverslagen uit die tijd die berichtten over de opeenvolgende criminele feiten laten zich lezen als een horrorverhaal. Men denkt dan terug aan andere grote historische benden zoals deze van Jan de Lichte in der omgeving van Aalst in de Oostenrijkse tijd. Maar ook bij de Bokkenrijders uit Limburg, die soms slachtoffers roosterden boven een vuur, haalden ze hun mosterd om te achterhalen waar mensen hun geld verborgen. Ook verkrachting kwam in hun lijstje voor. Soms gingen ze zo driest te keer dat een kogelsalvo door een houten deur vloog. Om hun criminele feiten te plegen verplaatsten de leden zich te voet, per fiets of per trein vanuit hun woonplaats naar de plaats van afspraak (meestal een café) . Soms waren ze dagen onderweg.
Dikwijls bestond hun buit uit gouden of zilveren voorwerpen of geld. Soms was de buit miniem – een aantal flessen wijn, ettelijke trossen druiven – maar steeds voerde geweld de boventoon.
Uiteraard werd er jacht gemaakt op de uitgebreide schare criminelen. Toch duurde het tot 7 januari 1921 eer het kopstuk, Nauwelaerts, kon aangehouden worden, dit naar aanleiding van de moord op een buurvrouw van zijn ouders, Maria Regina De Smedt uit Putte. Haar man overleefde de overval en kon de speurders op het spoor van de daders zetten. Op 10 januari 1921 werden nog enkele kompanen van Nauwelaerts geklist na de overval op een boterverkoopster waarbij ze 1400 Bfr buitmaakten, waarna ze verkracht werd. Het aanvankelijke plan om naar Frankrijk te vluchten kon niet uitgevoerd worden omdat ze de buit verbrasten in de omgeving van Leuven. Ondertussen had Nauwelaerts een tip van de sluier gelicht tijdens zijn ondervragingen en konden anderen opgepakt worden in Keerbergen. Dit gebeurde echter niet zonder een achtervolging door rijkswachters waarbij de kogels over en weer vlogen. Een wachtmeester van de rijkswacht schoot er ei zo na het hachje bij in.
Het assisenproces in Antwerpen met zicht op de beklaagden.
In februari 1925 ging voor het Assisenhof van Antwerpen een groot proces van start dat tot mei 1925 zou duren.
Drieëntwintig beschuldigden stonden samen terecht voor meer dan tweehonderd misdaden in de periode van 1918 tot 1924. Eén bendelid ontsprong de dans – Petrus Timmermans uit Koningshooikt. Hij werd nooit gevonden, zelfs zijn familie wist niet waar hij was.
Meer dan vijftienhonderd getuigen werden gedagvaard. In drieënveertig zittingen werden tweehonderd feiten behandeld. Het voorlezen van de akte van beschuldiging alleen al duurde enkele dagen. Op 7 mei 1925 hoorden Nauwelaerts, Van den Wijngaert, Bens en Van de Sande hun doodvonnis uitspreken. De anderen kregen lichte gevangenisstraffen tot levenslange dwangarbeid.
De Bende van Nauwelaerts bleef nog lang in het collectieve geheugen nazinderen, tot de tweede wereldoorlog problemen van een gans andere orde met zich meebracht.
Tekst: Robert Embrecht.
Bronnen:
- Ons Land, tijdschrift, 21 februari 1925.
- Archieven van Gazet van Antwerpen.
- De roversbendes van Vlaanderen - Leroy.
- De bende van Nauwelaerts, website Heemkundige Kring Hove.